La Tremblade 1959

1 maart 2017

Kijk- en leestijd ca. 13 minuten

Tekst © Rob Hoen

Een pleintje in een klein stadje met een ingekleurd straatbeeld van het alledaagse leven in de jaren vijftig. Het lijkt wel een filmset van een klassieke Western, die begint met de traditionele scène op het dorpsplein. De paarden staan gestald langs de stoep, het publiek loopt over straat of zit in de saloon, vlak voordat bandieten de dorpsrust gaan verstoren. ‘Action!’, roept de regisseur. Maar de huizen zijn niet van hout, maar van Franse bakstenen; het is niet Lawless Town, maar La Tremblade. Bekend om zijn surfers, oesters en oude monumentale houten oesterkeetjes.

La Tremblade ligt aan de Atlantische Oceaan in het vlakke land van het departement Charente Maritime, tussen Royan en Rochefort. Het riviertje de Seurtre stroomt hier de zee in; de getijden hebben er grote invloed op het waterklimaat van de riviermonding. Dat is uitermate geschikt voor oesters. Ze worden hier al gegeten sinds de Romeinse tijd, maar vooral gekweekt sinds het midden van de vorige eeuw. De oestercultuur is bepalend voor het cultuurlandschap rond La Tremblade: kleine waterbekkens met oesters met daaromheen kleine houten huisjes: de cabanes ostréicoles. Het stadje leeft van de zee en toerisme. Tot 1972 kan je hier met het pontje het zeegat oversteken. In dat jaar wordt een nieuwe brug over de Seurtre geopend.
Op de ansichtkaart zijn twee cafés met terras te zien, een slagerij, apotheek, kapper, een stoffenwinkel. Overal staan fietsen op de Franse manier geparkeerd: met de trapper op de stoeprand. Het is marktdag. Voorbij de stoffenwinkel staat een groepje vrouwen de laatste nieuwtjes met elkaar uit te wisselen. Er is nog zo weinig verkeer dat je niet eens over de stoep hoeft te lopen. Die kapper zou het decor kunnen zijn voor de film Le Marie de la coiffeuse met de onnavolgbare Jean Rochefort in de hoofdrol. Er staat een Solex voor Café Gambetta geparkeerd. Mensen zitten op de terrasjes. Onderaan de foto zijn een twee marktkramen met oesters en andere zeevruchten te zien. Verbazingwekkend dat de ansichtkaartenfotograaf de monumentale markthal, die iets verder naar rechts ten opzichte van de oesterkramen ligt, niet op de foto gezet heeft. Die markthal is gebouwd in 1864 en nog steeds dagelijks in gebruik. Gezien de stand van de schaduw is het ongeveer twaalf uur en volop zomer. Het is warm; alle luiken voor de ramen zijn dicht.
Het kweken van oesters kost veel tijd. Het duurt drie tot vijf jaar voordat een oester geschikt is voor consumptie. De larven worden uitgezet op leisteenplaten. Na acht maanden worden ze van deze platen geplukt en geplaatst in oesterputten. In het geval van La Tremblade zijn dat voormalige zoutpannen. Dat zijn afgebakende percelen waar de oesters beschermd worden tegen natuurlijke vijanden. Ze liggen hier in grofmazige netten op de bodem. Daar blijven ze liggen totdat ze groot genoeg zijn. Dat duurt zo’n drie jaar. Hier liggen de oesters op een leemachtige bodem. Het water is daar niet zo zout en zeer rijk aan plankton. Hier krijgen oesters de voor deze streek typische grijs-groene kleur, specifieke smaak en hun ‘vlezigheid’. Hoe groter het getijdeverschil, hoe sneller de oesters groeien. De zakken worden regelmatig gekeerd en de oesters wisselen ook nog eens van bassin. Omdat de oesters gewend zijn aan de getijden blijven ze wel acht dagen in leven nadat ze uit het water zijn gehaald. Zo blijven ze langer goed, voordat ze uiteindelijk -levend- gegeten worden.
Oesters heb ik al in vele soorten en maten geproefd. Allemaal met klinkende namen: Fines de Normandie Blanche, Creuses Quatre Saisons, Spéciale Tarbouriech, et cetera. De Zeeuwse, de Normandische, de Bretonse en oesters uit de Middellandse Zee, maar nog nooit de groene oesters uit de Charente Maritime. Die hebben trouwens ook schitterende namen zoals bijvoorbeeld de La Meilleure Marennes Olerons de Fines Vertes.

Reden genoeg om ze eens in La Tremblade te proeven. Want die dingen smaken nu eenmaal veel beter daar dan thuis. Met al die beelden van oude ansichtkaarten in mijn hoofd was ik het liefst naar Hotel-Restaurant Ostréa gegaan. Maar die gelegenheid blijkt niet meer te bestaan en ik zal toch naar het hier en nu terug moeten keren. Op de Place Gambetta worden oesters verkocht, maar die moet je dan zelf open maken. Dat ga ik niet doen. Want het openen van oesters is geen sinecure. Je moet er wat routine in krijgen, dat is waar. Als een oester dicht is, zit hij ook goed dicht. Oesters kunnen niet voor niets heel lang een geheim bewaren.
Op een kwade dag moet ik met spoed naar een Franse dokter, omdat het oestermes dwars door mijn huidplooi tussen duim en wijsvinger gegaan is. Het bloedt nog niet eens zo heftig, maar het is toch wel zaak dat een arts ernaar kijkt. Zulke dingen gebeuren altijd op zaterdagavond. Zo’n dokter woont dan weer een paar dorpen verderop en via een aanplakbord van het gemeentehuis weet ik hem te vinden. Overigens is dat met de auto geen ongevaarlijke onderneming, omdat ik al een halve fles Muscadet achter de kiezen heb. Maar nood breekt wetten. En ik ben al aardig ontnuchterd door die enorme jaap in mijn hand.
Die wat zurige Muscadet smaakt overigens erg goed bij oesters. Muscadet komt uit het westelijke Loire-gebied. Daar was lang geleden de zee. Oesters en andere schaaldieren hebben er voor een zilte kalk in de grond gezorgd. Die smaak komt terug in de wijn. In de jaren zeventig is hij heel populair, maar omdat er steeds meer goedkope slobbervarianten komen, raakt Muscadet in de vergetelheid. Nu is hij, dankzij een betere kwaliteit, met een opvallende comeback bezig.
Ik bereik de dienstdoende arts met mijn hand in een doek gewikkeld. Het scheelt dan wel dat hij met een glas rosé in de hand de deur open doet; zojuist is de barbecue begonnen. En blijkbaar mogen Franse artsen onder diensttijd aan de wijn. De hand wordt gehecht, en uiteindelijk eet ik toch nog mijn oesters. Na de uitvoerige instructies door de arts, vergeet ik nooit meer hoe dat moet. Maar voortaan eet ik oesters alleen nog in een restaurant.
Ik wandel over de Boulevard Roger Letélié, langs de houten huisjes van de oesterkwekers: les cabanes ostréicoles. Boulevard is trouwens een groot woord. Het is niet meer dan een smal weggetje parallel aan het Chenal de Greve. Het kanaal komt uit op de Seurtre, die iets verderop de Atlantische Oceaan in stroomt. Het zijn eenvoudige houten keten waar oesterkwekers hun gereedschap opbergen. Kleine huisjes met een puntdakje. De meeste zijn niet meer in gebruik. Ze moeten blijven staan van de Franse overheid, want ze zijn tot monument verklaard. Daarom moeten de eigenaren tenminste de buitenkant van de huisjes onderhouden. Maar een eerste aanblik leert dat de staat van de keten zeer wisselend is. Van schots, scheef en gammel tot strak in de lak. Sommige keten zijn omgebouwd tot restaurant. Ik besluit mijn geluk te beproeven bij Restaurant Chez Gaby. Er is van alles aan de oorspronkelijke hut aangebouwd. Met een beetje fantasie herken ik er nog een oude oesterkeet in. Aan de overkant van de weg is een terras gemaakt. Vroeger was dit de weg naar de veerpont. Nu is het een doodlopende straat met alleen bestemmingsverkeer. Dat kan niet van het Chenal de Greve gezegd worden, want om de haverklap komen er ploffende kleine bootjes van vissers en platbodems van de kwekers voorbij. Op zo’n windstille dag als vandaag blijft de damp van de dieseltjes telkens op het terras hangen. La Tremblade heeft geen milieuzone zoals Parijs of Utrecht. Aan verse oesters geen gebrek; die bootjes kunnen hun zakken met oesters evengoed gelijk op het terras van restaurant Gaby gooien.

Ik houd het vandaag bescheiden. Een bord met zes Meilleure Marennes Olerons de Fines Vertes op ijs. De oesters krimpen even ineen, als ik er een paar druppels citroen op doe. Als ik dan in de voor mij geopende schelpen kijk naar het grijs-groene snot dat ik aanstonds in mijn mond laat glijden, moet ik altijd aan de Markies de Sade denken. Die at wel zestig oesters op een dag. Dat is niet lekker meer, maar De Sade at ze met een ander doel. Ik ga zo nog een dubbele espresso drinken op het terras van Café Gambetta. Om te voorkomen dat ik in een middagslaapje sukkel.

 



 

2 Responses to La Tremblade 1959

Geef een reactie