Glos-la-Ferrière 1958

27 maart 2017

Kijk- en leestijd ca. 10 minuten

Tekst © Rob Hoen

Een straatbeeld van het dagelijks leven in een dorp. Gewoon zo alledaags dat het ieder willekeurig Frans dorp kan zijn. Er is zelfs wat leven op straat. De aanwezigheid van enkele mensen in de verte roept een gevoel van rust en kalmte op. Het maakt de straat nog stiller. Het zwart-wit beeld versterkt het effect. Dat heeft ook zijn mooie kanten: het geeft de ansichtkaart sfeer. Dit is La France Profonde. Dat is alles wat zich buiten Parijs bevindt. Dit is Glos-la-Ferrière, een gewoon, schoon en bijna besloten dorpje.

Glos-la-Ferrière ligt in het oosten van Laag-Normandië. Het ligt precies in het midden op 80 kilometer afstand aan weerszijden tussen Caen en Chartres. Er is geen grote plaats in de buurt. Het is een plattelandsgemeenschap met nauwelijks 500 inwoners. Het is een lintdorp, de huizen zijn om de hoofdstraat heen gebouwd. Iedereen wil aan de doorgaande weg wonen. Daar buiten is er niets anders dan landbouwgrond, afgewisseld met wat rijtjes bomen. Eindeloze ruimte zover het oog reikt. Glos-la-Ferrière is een plek waar je niet gauw komt. Alle wegen lopen er langs, behalve de D919. Die neem je alleen als je geen haast hebt. En verder niks nodig hebt.
Het is de hoofdstraat van Glos-la-Ferrière. Het is kwart over vier. De zon begint onder te gaan, waardoor de schaduwen van de huizen over de straat langer worden. Het trottoir is een lappendeken van bestratingen: zand, grind, asfalt en gebroken tegeltjes. Er is een brede afvoergoot van kinderkopjes langs de weg. Zo breed dat het bijna een open riool lijkt. Er wordt een auto volgetankt door de vrouw van de garagist, annex fietsenwinkelier.
Een Deux Cheveaux met zelfmoorddeuren staat geparkeerd voor de kruidenier, die naast fruit en groenten, ook schoenen, confectiekleding en fournituren verkoopt. De winkel heeft een uithangbord met laarzen van het merk de Gelaarsde Kat. Het is zo’n winkel waar je eigenlijk alles voor het huishouden kunt kopen. De plek waar iedere dorpsbewoner over de tong gaat, maar waar de kruidenier zich van commentaar onthoudt. Verderop in de straat zijn rechts nog wat zonneschermen te zien. Dat is restaurant L’Aigle d’Or en Café de la Mairie. Bij L’Ailgle d’Or staat vanaf de dakgoot tot aan de grond het woord RESTAURANT gespeld in grote letters. Je kunt het niet missen.
Voorbij de bocht is een zadenwinkel. Daar verkopen ze naast zaden ook perskoeken als veevoer. En kunstmest. Einde jaren vijftig een wondermiddel, waarvan je maar niet genoeg kan gebruiken. Naast de zadenwinkel is daar het onvermijdelijke Café-Restaurant de la Poste. Ieder zichzelf respecterend Frans stadje heeft een café of hotel met die naam. Het is trouwens geen hotel, maar ze verhuren er wel kamers. Het is typisch zo’n lokaal voor routiers: die stoppen hier om tussen de middag betaalbaar te eten en te drinken. Er is keuze uit één gerecht. Tussen de middag is het hier een drukte van belang en staat de Rue Principale vol met auto’s en vrachtwagens van passanten. In de avonduren zit er geen hond. Behalve een enkele handelsreiziger die het niet tot thuis gered heeft. Er staat een kind in de deuropening. Veel huizen zijn gebouwd in de voor Normandië kenmerkende rode baksteen, opgevuld met grijsbruine silex.
Van het begrip La France Profonde hoor ik jaren geleden voor het eerst op een heel andere plek, tijdens een verblijf vlakbij de Puy de Dôme. Dat is in een landelijk gelegen hotel in een klein dorpje, aanbevolen door de Michelingids om zijn uitstekende keuken. De moeite van een omweg waard, zo meldt de gids.
Tijdens het diner zijn mijn reisgenote en ik aanvankelijk de enige gasten. Wij worden bediend door twee jonge obers met rode wangen. Pubers zijn het nog. Ik schat ze net 16 jaar oud. Beiden hebben smetteloze witte jasjes aan met van die goudkleurige schoudertressen. Heel klassiek. Hun zwarte broeken zijn groezelig, de schoenen ronduit smerig. Het zou zomaar kunnen dat ze zojuist nog de stal uitgemest hebben. De stemming tussen de twee is lacherig. Komt dat door het weelderige decolleté van mijn reisgenote? In ieder geval buigen zij zich bij het serveren van de gerechten opvallend ver over de tafel om vervolgens iets verderop te giechelen als ze spullen naar de keuken brengen.
Even later komt een gezin uit Parijs binnen. Ze zijn met twee kinderen van dezelfde leeftijd als de obers. Eenmaal aan tafel zegt de vader plechtig, nadat hij de stemming in de eetzaal gepeild heeft: “Ici, c’est La France Profonde!” Hij zegt het met een hoofdstedelijke arrogantie, kijkend naar de twee obers die met een servet over de arm in slagorde naast de keukendeur staan. Ik bespeur een zekere minachting van de Parijzenaar voor de jonge obers.

La France Profonde is al een oud begrip. Het is niet iets van de laatste decennia. Het staat letterlijk voor het diepe Frankrijk, bezien door Parijse ogen. Want sinds de Franse Revolutie is Parijs het absolute centrum van Frankrijk. La France Profonde gaat over de cultuur van het leven in de provincie, de dorpen, het platteland, in contrast met het leven in de Lichtstad. Het staat voor veilig en vertrouwd. Voor conservatief, reactionair tot en met populistisch. La France Profonde staat ook voor economische krimp, leegloop, leegstand, vergrijzing en eenzaamheid. Boeren in blauwe overalls, mannen met dezelfde muts als Ilja Gort. Vrouwen met een geblokt schort voor, met bloemetjesjurken en gummilaarzen. In La France Profonde gaat het licht om negen uur ’s avonds uit, terwijl in Parijs dan het leven gaat beginnen. In La France Profonde is bijna iedereen laaggeschoold, onderontwikkeld, zo niet achterlijk in de ogen van Parijs. Je zou het ook La France Phériphérique kunnen noemen. Dat is het Frankrijk dat geen station heeft en niet aan een Route Nationale ligt. Maar La France Profonde gaat verder, dieper: het is een noodlot.
Geen wonder dat veel mensen uit de provincie die de kans krijgen, ontsnappen naar Parijs. In de regio is onvoldoende werkgelegenheid. Middelgrote en kleine familiebedrijven gaan op de fles. Winkels gaan dicht en worden vervangen door regionale winkelcentra en hypermarchés die ver van het dorp verwijderd zijn. Die dorpsmiddenstand kan niet concurreren met regionale winkelcentra. Ze kan het hoofd niet meer boven water houden. Voor jongeren is er niets te beleven.
Laag opgeleide mensen en ouderen blijven achter en stemmen op Marine Le Pen. Tijdens de verkiezingen van 2015 haalde het Front National hier ruim 42 procent van de stemmen. Ik zoek nog naar de witgekalkte letters FN op muren en wegen, zoals je die vaak in Zuid-Frankrijk tegenkomt. Maar er is niets te zien.

Als ik dan door de hoofdstraat van Glos-la-Ferrière loop, staat er vrijwel geen auto geparkeerd in de Rue Principale. En dat voor een zondag. Een dag waarop je iedereen thuis zou verwachten. Maar er zijn ook geen passerende auto’s. Ik denk aan de Parijzenaar in het restaurant van een paar jaar geleden. Het is hier echt doodstil, uitgestorven. Toch zien de huizen er goed onderhouden uit. Geen vuiltje op straat. Elk stoepje lijkt vanmorgen nog schoongeveegd te zijn.
Maar de winkels, de cafés en restaurants, ze zijn er niet meer. Café de la Poste is weg. De garage is weg, net als de benzinepomp. Daar zijn nu een postkantoor en een mini-supermarktje van Viveco. Het schooltje om de hoek is volgens de Franse traditie ondergebracht bij de Mairie. Dat duidt erop dat er nog kinderen geboren worden. Daar staat ook de enige telefooncel van het dorp.
De vroegere kruidenierswinkel is nu een woonhuis. Voor een echte hypermarché moeten de bewoners van Glos-la-Ferrière 24 kilometer autorijden. De granenwinkel is ook weg. Er is daarna een slager op die plek geweest, maar ook deze is intussen weer dicht. De ramen van de etalages zijn witgekalkt. Huizen zonder leven. Op zoek naar mensen, zie ik alleen schimmen uit het verleden. Behalve dan die van de postbode. Die stopt nog dagelijks brieven in lege brievenbussen.

Ik wil straks aanschuiven in Bar-Restaurant l’Aigle d’Or, want er moet nu eenmaal gegeten worden. Maar die blijkt op zondag gesloten. Ook bij het Café de la Mairie zijn de rolluiken naar beneden. Waar is iedereen? Glos-la-Ferrière is een dorp met onzichtbare bewoners. Blanke, boze bewoners. Alsof zelfs de dorpsstraat de boze buitenwereld is. De mensen verlaten hun huis aan de achterkant, bedenk ik mij.
Als ik tachtig kilometer verderop ’s avonds op mijn hotelkamer in Chartres ben, vind ik op het internet een 8-mm amateurfilmpje zonder geluid, dat begin jaren zeventig gemaakt is in Glos-la-Ferrière. Een groepje mensen loopt op zijn paasbest door het dorpje. Het lijkt mij geen sympathieke familie. Dat gevoel krijg ik tenminste als ik naar het filmpje zonder geluid kijk. Een van de vrouwen stapt in de mest. Het vervolg wordt gefilmd totdat een van de mannen een doekje uit de kofferbak van de auto haalt. Het is het hoogtepunt van een lang vervlogen zondag in Glos-la-Ferrière.


 

4 Responses to Glos-la-Ferrière 1958

Geef een reactie