Scheveningen 1965

29 maart 2018

Leestijd 12 minuten
Kijktijd 9:34 minuten

Tekst © Rob Hoen

Als er in 1965 een prijs was geweest voor het lelijkste gebouw van Nederland dan zou de pier van Scheveningen daar zeker voor in aanmerking zijn gekomen. Trouwens, anno 2018 kan dat wat mij betreft nog steeds. Ieder jaar opnieuw deze prijs voor de Scheveningse pier. Zolang, totdat hij gesloopt wordt en niet langer de horizon van Scheveningen vervuilt. Totdat je over de zee kunt kijken, zonder dat zo’n ding het uitzicht belemmert. Maar het zijn mooie of minder fijne herinneringen die maken hoe je er naar kijkt.

Zelf heb ik niet zo’n band met de pier der pieren, in Nederland althans. Dat komt omdat ik pas op latere leeftijd voor het eerst in Scheveningen kom. Dat is rond 1980. Ik ben dan een jaar of 20 en heb geen enkele behoefte om er op te lopen. Met wandelpromenades op zee heb ik een ambivalente verhouding. Want waarom loop je de zee op? Krijg je dan hetzelfde gevoel als dat van een bergbeklimmer die de top van een berg bereikt? Is het om vanaf de kop van de pier weer terug naar de kustlijn te kijken? Alsof je met een schip de haven binnenvaart? Dat ziet er hetzelfde uit. Het is veel leuker om vanaf dijk of strand naar de zee te kijken. En dan staat daar zo’n raar gebouw in het water.
Mijn herinneringen aan een pier gaan verder terug. Dan gaat het over de pier van Blankenberge. Als Maastrichts gezin zijn wij veel meer op de Vlaamse dan op de Hollandse kust gericht. Wij gaan op vakantie naar de Belgische kust. Ik kom er voor het eerst als 5-jarige. Aan de voet van de pier ligt het Autodroom. Dat is een circuit met trapauto’s met een heus benzinestation. Dat is voor grote jongens vertelt mijn moeder. Naarmate ik groter wordt, mag ik daar steeds meer uren doorbrengen. Die baan ligt er nu nog steeds. De pier zelf op, dat durf ik niet zo goed. Dat wil zeggen, ik loop wel de 350 meter lange wandelpromenade op. Maar ik durf het gebouw dat op het uiteinde staat, niet te ronden. Altijd staat er een straffe wind en ik ben bang dat die mij eraf blaast. Toch trekt dat verste punt. Dan loop ik met knikkende knieën zo dicht mogelijk langs het gebouw tot haverwege de ronding. Zo moet een zeeman zich voelen op een stampend schip in de storm bedenk ik mij. Ik keer om en loop andersom precies naar hetzelfde punt. Dat voelt veel veiliger. Het is een voorbode van mijn latere hoogtevrees. Ik durf niet naar de kolkende zee te kijken die tegen de pilaren van de pier beukt. Veel liever zit ik achter het glas van het restaurant, kijk door de vuile ramen van het zout van de zee en zie de verweerde kozijnen, die veel te lijden te hebben van de zilte wind. Ondertussen gaat in mijn gedachten de zee onder het restaurant te keer. Veel liever draai ik mijn rondjes op het Autodroom.
Het is een mooie dag in het najaar. Op de ansichtkaart van Scheveningen is het vloed en er zijn nauwelijks golven. De strandhuisjes zijn al opgeborgen voor de komende winter. Lange schaduwen met de lage zon pal uit het zuiden verraden de herfst. Het weer doet je twijfelen of je een jas zult aantrekken; te warm als je ermee in de zon wandelt, maar zonder te koud voor een terras in de schaduw. De vrouw met de groene rok en blauwe blouse linksonder maakt aanstalten om in de gele auto te stappen. Haar man zit al achter het stuur. Er is aardig wat volk op het strand, maar niet in badkleding. Ik zie geen enkele prullenbak op de ansichtkaart. Toch zijn stoep en strand brandschoon. Geen onvolkomenheid te zien, behalve dan de plakkaten kauwgum op de stoep. Een bijna perfecte vakantiekaart dus. Zo toont Nederlands eerste projectontwikkelaar Reinder Zwolsman van de Exploitatie Maatschappij Scheveningen (E.M.S.) zijn stad graag aan het publiek.

Het is vandaag niet druk in Scheveningen. In de zomer kun je hier over de hoofden lopen. Auto’s mogen gewoon parkeren op de boulevard en zo te zien hoeven ze er niet voor te betalen. Je kunt zelfs benzine tanken op de boulevard. De pier is nog relatief jong: nog maar vier jaar oud en het gewapende beton oogt nog hagelnieuw. Het lijkt op dat moment een onvergankelijk bouwwerk, onverbrekelijk verbonden met de horizon van Scheveningen. Op de pier staat een reclame van Chiclets. Dat is het oudste merk kauwgum, bedacht door de Amerikaan Thomas Adams. Die koopt van de Mexicaan António Lopez de Santa Anna een partij melksap van de Sapodillo-boom om het te gebruiken in de rubberindustrie. Chiclès is de Spaanse naam voor dat sap. Maar Adams komt op het idee om er suiker en smaakstoffen bij te doen en zo ontstaat in 1900 de eerste kauwgum. Je moet er maar opkomen.
Scheveningen is een plek voor vooral dagjesmensen. Begin jaren zestig is deze badplaats razend populair onder de Randstadbevolking avant la lettre én bij Duitsers. De groeiende mobiliteit maakt de kustplaats bereikbaar voor bijna iedereen. Met brommers, scooters en auto’s. Chartervluchten naar de Spaanse Costa’s zijn er nog niet. Mensen geven hun vakantiegeld uit in Nederland. Naast de zee om pootje te baden en te zwemmen en het strand om te zonnen, heeft Scheveningen de pier, die ontspanning biedt en vermaak voor iedereen. Zoals de verrekijkers, waar je een kwartje in moet doen om hetzelfde te zien als wat je vanaf de boulevard ziet, maar dan een fractie dichterbij. Scheveningen is ook een eindeloze rij terrassen langs de boulevards waar mensen flaneren. Kinderen kunnen op het strand ezeltje rijden. Die ezels zijn er al eind 19e eeuw en vormen de inspiratie voor het schilderij van Isaac Israëls Ezeltje rijden langs het strand dat hij hier rond 1899 schildert. Het is een van de iconen van de Amsterdamse Impressionistische School. In de jaren zestig lopen nog altijd ezels op het strand. En paarden: de bereden politie surveilleert letterlijk in zee, naast de badmeester die toezicht houdt op de badgasten. Geen baywatch in strakke badpakken op z’n Amerikaans, maar Hollandse degelijkheid in uniform en met pet. Alle dagen verlopen ordelijk. Inmiddels lopen er geen ezels meer op het strand.

Toon Hermans bezingt de Scheveningse pier in 1965. Met een lied vol met dwangmatige rijmelarijen en flauwe dubbelzinnigheden, die de Hollandse kneuterigheid van het toerisme in Nederland typeert. Bij Toon Hermans is een pier een piér op z’n Frans en dat rijmt nergens op. Heeft ook niets met taalkunst van doen en anders begrijpen die Nederlanders dat niet. Want een pier is ‘une jetée’ in de Franse taal.
De pier van Scheveningen zou je kunnen zien als het Coney Island van Nederland. Hij is einde jaren vijftig ontworpen door de Rotterdamse architect Huig ‘Hugh’ Maaskant, die in Coney Island zijn inspiratie gevonden heeft, want de Scheveningse pier is voor niets anders bedacht dan voor recreatie naar Amerikaans voorbeeld. Het is Maaskant die ook tekent voor de Rotterdamse Euromast. Die toren is evenzeer uitsluitend voor amusement gebouwd en even markant in het landschap aanwezig als de pier. Je zou deze bouwwerken van Maaskant kunnen typeren als de eerste alles overheersende landschappelijke amusementsarchitectuur in Nederland, terwijl in die tijd heel bouwend Nederland nog voornamelijk met woningnood bezig is.
Die prijs voor het lelijkste gebouw wordt toegekend door het blad Cobouw, het weekblad voor de bouwnijverheid. Alleen hij gaat naar architectuur die in het voorafgaande jaar gerealiseerd is. Dus de Scheveningse pier zal die prijs nooit meer behalen. Uiteindelijk bepaalt de factor tijd het noodlot van de pier. In 2013 is hij beoordeeld voor het Beschermingsprogramma Wederopbouw 1959-1965 en buiten de selectie gevallen om tot rijksmonument verklaard te worden. Door de talrijke verbouwingen is het oorspronkelijke ontwerp te sterk aangetast.
Een pier is een merkwaardig bouwwerk. Er bestaan grofweg twee soorten, met twee heel verschillende functies. Het is een havenhoofd, dat vanaf de kust de zee in loopt. Erachter ligt een haven. De pier heeft de functie van golfbreker en aanlegsteiger, die zorgt dat schepen in de luwte de haven in kunnen varen. Er zijn dan twee pieren. De ene is wat langer dan de andere, afhankelijk van hoe het getij de stroming van de zee rond de haveningang beïnvloedt.

Ligt er geen haven achter, dan is het een aanlegsteiger. Zoals bij de pier in het Franse Arcachon. Dat is de meest klassieke vorm. Ooit in Engeland bedacht als aanlegsteiger voor badgasten. Met de komst van de spoorwegen halverwege de 19e eeuw verdwijnt de oorspronkelijke functie van de pier en wordt het een plezierpier, van waaruit je een blik op de kust hebt en waarop je kunt wandelen boven de zee. Meestal staat op het verste punt dan nog een gebouw met een café, restaurant, gokhal, botsauto’s of ander vermaak. Het verschil met een havenhoofd is dat de wandelpier op palen staat. De waterbeweging eromheen wordt verder ongemoeid gelaten.

Pieren zijn soms niet meer dan een houten loopplank, waar je ternauwernood met een roeibootje kunt aanmeren. Er zijn grotere houten exemplaren, die voor de visserij gebruikt worden, zonder dat je de zee hoeft op te varen. Die zijn vaak te vinden in de Verenigde staten, maar ook in Frankrijk, zoals in Pornichet waar met platte netten gevist wordt op schol. De netten worden neergelaten met in het midden gemalen mosselen als lokaas. Het is een visstek en promenade tegelijkertijd, waar de lokale bevolking elkaar aan het einde van de dag ontmoet bij het kijken naar de zee.
Voorafgaand aan de huidige pier van Scheveningen staat er iets verderop een andere pier, het ‘Wandelhoofd Koningin Wilhelmina’. Prins Hendrik opent hem in 1901. Het is een houten geval en hij ligt direct achter het Kurhaus. Vanuit het hotel is een brug over de boulevard gemaakt zodat hotelgasten rechtstreeks de 372 meter lange pier op kunnen lopen. Op de ansichtkaart is nog net rechts een deel van de trap van de brug te zien. Tijdens de Duitse bezetting wordt Scheveningen een onderdeel van de Atlantikwall. Het paviljoen op het uiteinde van de pier dient dan als opslagplaats en er wordt afweergeschut op geplaatst. In 1943 brandt hij af en de Duitsers slopen hem uiteindelijk. Alleen de houten palen blijven staan als barrière tegen een mogelijke geallieerde invasie.


Brand is het noodlot van veel pieren. Ze storten bijna nooit in; ze branden af. Zo ook de West Pier van Brighton uit 1860. Die brandt in 2003 af tot een geraamte. Het skelet staat er nog steeds, terwijl iets verderop de Brighton Palace Pier (1899) nog overeind staat. Het ‘Wandelhoofd Koningin Wilhelmina’ is echt een klassieker, te vergelijken met de pieren aan de Engelse zuidoostkust. Daar stonden er aanvankelijk een stuk of honderd, gebouwd aan het einde van de 19e eeuw. Er zijn er nu nog maar vijftig van over. De meeste daarvan zijn in slechte staat, omdat de Engelsen al in de jaren vijftig ontdekken dat ze nauwelijks exploitabel zijn in combinatie met de torenhoge onderhoudskosten.
Met die wetenschap wordt in 1959 een begin gemaakt met de nieuwe Scheveningse pier in opdracht van de Exploitatie Maatschappij Scheveningen. Die E.M.S. is in 1902 opgericht met als doel Scheveningen tot badplaats te ontwikkelen en de horecabedrijven te stimuleren. De nieuwe pier bestaat uit een promenade waaraan drie eilanden verbonden zijn. Het zonne-eiland is het grootst. Daarop staat een restaurant met een zonnedek. Het toreneiland heeft een uitkijktoren, een cafetaria en een visring. Die laatste is alleen toegankelijk voor leden van de zeehengelclub de Pierewaaiers. Op het schateiland staat de arcadehal met daarboven een kinderspeeltuin. Op de promenade zelf waren er nog verschillende attracties en souvenirwinkels gevestigd. In 1964 komt er nog een vierde eiland bij. Dat wordt bedacht door de eerder genoemde projectontwikkelaar Zwolsman, die in 1962 de E.M.S. in zijn geheel overneemt. Hij heeft als aannemer de pier in 1959 gebouwd, maar wordt nu eigenaar. Zwolsman is in die jaren de grootste projectontwikkelaar van Nederland met spraakmakende bouwprojecten door het hele land. Variërend van grootschalige woningbouw, hotels, winkelcentra tot kantoorpanden. Zwolsman krijgt van de overheid geen toestemming voor een vierde eiland, omdat met de bouw een te groot beslag op de schaarse Nederlandse bouwcapaciteit zou worden gedaan. Hij regelt dat het vierde eiland er toch komt.

Prins Bernhard opent de pier in mei 1961. In twee dagen komen er meer dan 100.000 bezoekers. In september passeert de teller een miljoen. Om op de pier te komen moet je entree betalen. In het begin is dat 45 cent. Maar zodra Zwolsman eigenaar is wordt het tarief een gulden. In de daaropvolgende jaren nemen de aantallen bezoekers gestaag af tot 600.000 in 1971. De populariteit van de pier daalt, ook al omdat het entreegeld steeds hoger wordt. Bij veel pieren over de hele wereld hoef je niets te betalen.
Naarmate er minder te verdienen valt, komen er telkens nieuwe eigenaren: na Zwolsman komt de Verenigde Bedrijven Bredero N.V. aan het roer van een consortium, bekend van onder meer Hoog Catharijne in Utrecht. De pier ondergaat allerlei verbouwingen. Na het faillissement van Bredero blijft Nationale Nederlanden als enige over van het consortium. Plannen voor verdere verbouwingen gaan niet door vanwege budgetoverschrijdingen. Intussen zet het verval door, totdat horecaconcern Van der Valk in 1991 de pier koopt voor het symbolische bedrag van een gulden. Van der Valk stopt er 20 miljoen euro in, ruim drie keer zoveel als oorspronkelijk geraamd. In 1994 zakt er nog een bezoeker door de vloer van de uitkijktoren. Plannen voor een hotel op de pier worden door de gemeente Den Haag geblokkeerd. Bovendien kan de constructie het gewicht van een hotel niet aan. De vennootschappen van Van der Valk die de pier exploiteren, worden in 2013 failliet verklaard. Delen van het bouwwerk worden afgezet omdat het er te gevaarlijk is. Een openbare veiling van de pier in dat zelfde jaar gaat wegens gebrek aan belangstelling niet door. In oktober 2013 volgt de sluiting. Een nieuwe investeringsmaatschappij zorgt voor renovatie van de meeste delen, waarna het publiek er weer terecht kan. Er komt een reuzenrad op het schateiland. Het totaal verroestte vierde eiland van 1964 wordt in 2016 losgemaakt en afgevoerd. De pier kan er weer even tegen, maar blijft even lelijk als in 1965.

De pier van Scheveningen heeft samen met die van het Belgische Blankenberge de enige grote klassieke betonnen pier van het westelijke Europese vasteland. Die van Blankenberge is wél tot monument verklaard. En is ook mooier dan de Scheveningse. Gebouwd tussen 1930 en 1933 bevat hij veel art-deco stijlelementen. De stad Blankenberge beslist zelf om de pier te bouwen en heeft ook belangrijke regie bij de bouw en uitvoering. Kwalitatief is de bouw ook veel beter, want de betonrot slaat pas rond de eeuwwisseling toe, zeventig jaar na de oplevering. Terwijl in Scheveningen al na vijftien jaar het beton verkruimelt. De pier van Blankenberge is ook een verliesgevende onderneming. Maar de monumentenstatus zorgt voor een grotere kans op overleving.
Als ik de pier van Scheveningen zie, vraag ik mij iedere keer af, waarom dat verlangen tot behoud zo sterk is. Hoe meer vervallen, hoe heftiger de emoties, ook al is het niet mooi om te zien. Maar dat doet er blijkbaar niet meer toe. Herinneringen zijn dan veel belangrijker dan de werkelijke betekenis. Het kost moeite om te beseffen dat er dingen zijn die voorbij gaan.
Zo’n pier is ook te groot waarvoor hij ooit bedacht is: een plek waar je ’s avonds naar toe loopt om even naar de zee te kijken. Om mijmerend de dag af te sluiten. Geef mij dan maar zo’n Amerikaanse houten pier. Het liefst eentje die er een beetje gammel uitziet. Met een doorleefde planken vloer en een paar sportvissers er op. De stilte van de zee, zonder al die lawaaierige toeristen. Zonder restaurant en zonder gokhal. Maar dat is iets dat ik pas later bedenk. Ik besef nu pas dat het nooit meer goed komt tussen mij en de Scheveningse pier. Want als ik voor de eerste keer dit gevaarte zie, zoek ik als eerste naar het circuit van trapauto’s dat ik ken van Blankenberge. En dat is er niet.


One Response to Scheveningen 1965

  • Wat een leuk verhaal over de pieren. Waar is de tijd gebleven dat we gewoon onze auto op de boulevard van Scheveningen konden parkeren. Ik heb dat vaak gedaan, met de kinderen naar het strand en de auto stond dan vlakbij, min of meer boven je, op de boulevard.

Geef een reactie